Het stroomgebied van Bijloop en Turfvaart

De waterlopen Bijloop en Turfvaart delen hetzelfde stroomgebied. Het heeft een oppervlakte van ca. 7000 ha. Vanaf het grensgebied Achtmaal/Nieuwmoer tot Breda, over een afstand van zo’n 25 km,  verbinden beide waterlopen een aantal unieke natuurgebieden. Stroomafwaarts zijn dit onder andere de Matjens, de Oude Buisse Heide, Wallesteijn, de Moeren, de Pannenhoef en de Vloeiweide.

Vanwege bijzondere natuurwaarden zijn grote delen van het stroomgebied door de provincie aangewezen als ‘natte natuurparel’. In de afgelopen 25 jaar is er hard aan gewerkt om deze natuurgebieden door uitbreiding en natuurontwikkeling onderling te verbinden en de natte natuur te herstellen. Tot diep in de stad is dit lange lint van natuurgebieden bijna geheel aan elkaar geknoopt.

Figuur 1 Stroomgebied van Bijloop en Turfvaart (bron: kaartenbankbrabant.nl)

Turfvaart

De ligging van de natuurgebieden is sterk vervlochten met de geschiedenis van de turfwinning. In 1618, precies 400 jaar geleden werd de Turfvaart feestelijk geopend. Een consortium van vier brouwers nam het initiatief, ze hadden brandstoffen nodig voor het opwarmen van de ketels bij het vergistingsproces.

Op 20 november 1618, juist op tijd voor het invallen van de winter, werd de eerste moer Breda binnengebracht:

“met vlag en wimpel verciert, daarop verscheyden trompetten waeren blasende ende heeft de groote clocke in teecken van blyschap een halff ure lang geluijt gegeven ten aensien van veel duijsenden menschen “. *

Deze watergang werd gegraven op de flank van het beekdal van de Bijloop. Van de Bijloop zelf konden ze geen gebruik maken omdat het grootste deel van het beekdal destijds onder het veen verstopt lag. De Turfvaart leidde naar de uitgestrekte veengebieden in de omgeving Schijf, Achtmaal, Nieuwmoer, zo’n 26 km zuidwaarts. In dit gebied werd al vanaf ongeveer 1450 veen afgegraven en gedroogd. Via turfvaarten werd het vervoerd naar havens in Leur en Roosendaal. Pas vanaf 1618 ook naar Breda, via de Bredase Turfvaart. In 1743 was de turf op en stopte de winning.  Slechts een plukje hoogveenrestant ligt er nog, in het natuurgebied de Matjes.

Figuur 2 Bodemkaart Brabant in Romeinse tijd. Rood omcirkeld: hoogveenmoeras Schijf, Achtmaal, Nieuwmoer. Bron: thuisinbrabant.nl.

De Turfvaart loopt vanaf de Belgische grens, het natuurgebied de Matjes en mondt uit in de Aa of Weerijs in Breda. In het zuidelijk deel tot aan de Rucphenseweg is de Turfvaart de enige waterloop en verzorgt de afwatering van het gebied. Een zijwatergang is de Zoekse Loop, deze voert water aan vanuit de Zoek, een voormalig veengebied nabij Schijf.

Het verval in de Turfvaart is 6 meter. De waterstand wordt met 24 stuwen  geregeld. ’s Zomers bij lage waterafvoeren kan een deel droogvallen.

Bijloop

Het beekdal van de Bijloop ligt tussen de buurtschappen Effen en Lies en voert water af vanuit de Rith naar de Aa of Weerijs. In Princenhage, waar ze langs stroomt, staat ze bekend als Bieloop. Vóór de turfwinning was ze veel korter dan ze nu is.  Ze liep ongeveer tot aan een rug stuifzand bij de Raamschoorse weg die nu Klein Zwitserland heet. Deze zandrug vormde een drempel die de afwatering uit het achterliggende gebied belemmerde. Gecombineerd met een slecht doorlatende bodem maakte dit hoogveenvorming in het achterland mogelijk.

De bovenloop van de Bijloop is nog een jonge beek. Pas na de turfwinning is het oude beekdal weer tevoorschijn gekomen. Het water dat zich In de laagste punten verzamelde verzamelde vormde de nieuwe beek.

De Bijloop begint nu nabij het landgoed de Moeren. Vanuit het westen neemt ze drie waterlopen op: De Blikloop, De Fleschloop en de Lange Matenloop. 

Hoewel Turfvaart en Bijloop op meerder plaatsen vlak naast elkaar liggen, zijn ze waterstaatkundig losgekoppeld. De Turfvaart ligt tussen dammen (vaartkanten) en ontvangt vanaf de Rucphenseweg geen water meer uit de omgeving.

Het veen werd tot op de onderliggende zandgrond afgegraven. Kleine delen zijn als landbouwgrond in gebruik genomen, het merendeel bleef onbewerkt achter en ontwikkelde zich tot een nat heidegebied, bestrooid met vennen.

Figuur 3 Kaart 1850  De turfvaart loopt door heidelandschap tot het ven de Moeren (bron: topotijdreis.nl)

Veel turfvaarten zijn in de loop van de tijd door gebrek aan onderhoud verdwenen. Alleen turfvaarten die een andere functie kregen zijn in stand gebleven.

Landgoederen langs de Turfvaart

Langs de Bredase Turfvaart zijn vanaf het midden van de 17e eeuw zijn op tal van plaatsen ontginningsexperimenten uitgevoerd. De Turfvaart bood de mogelijkheid om in omgekeerde richting mest te vervoeren, niet alleen menselijke uitwerpselen afkomstig uit de grote steden, maar ook walvistraan, salpeter en schelpen. Er werden maar liefst 16 landgoederen om en nabij de Turfvaart gevormd.

Figuur 4 Landgoederen langs de Turfvaart

 Vaak waren de turfondernemers (bierbrouwers) ook de stichters van het landgoed. Zo’n landgoed (grootgrondbezit, waarvan een deel agrarisch ontgonnen en een deel bebost werd) bestond uit één of enkele pachtboerderijen. Boerderijen waren niet groter dan 10-15 ha. landbouwgrond, vanwege het mesttekort was een groter oppervlak niet mogelijk. Er omheen werd hakhout aangeplant. Verder kenmerkte de landgoederen zich door een of meer rechte dreven, vaak gericht op een kerktoren, waar de percelen zich op richtten. Landhuizen werden pas rond 1800 (Wallstein, Vredeoord, de Moeren) of nog later (Angorahoeve, Pannenhoef) gebouwd. Niet buitenverblijf, maar inning van pachtgelden, jacht en houtopbrengst was de primaire functie van het landgoed. De meeste bleven zonder landhuis.

IJzermolen

In 1763 werd door de Rotterdamse ondernemer Hoffman de ijzerpletmolen langs de Turfvaart gesticht, precies op de grens van Princenhage en Rijsbergen. De watermolen bracht hamers in werking. Deze hamers pletten het gietijzer om het bruikbaar te maken als smeedijzer. Onduidelijk is in hoeverre de vaart ook voor de aan- en afvoer van ijzer en de ijzerproducten gebruikt werd. Wel werd de ondernemer verantwoordelijk voor het onderhoud van de vaart, in die tijd ook wel de IJzermolensche Vaart genoemd. De ijzermolen bleef tot 1852 werkzaam. De er op volgende  periode als  oliemolen duurde slechts kort. In 1856 werd de molen gesloopt.

Figuur 5 IJzermolen Ungersheim Fr.

Jonge ontginningen

Door de uitvinding van kunstmest werd het mogelijk om op de arme zandgrond landbouw te bedrijven. Vrijwel het gehele heidegebied is tussen 1870 en 1930 ontgonnen. De meeste landgoederen zoals de Maatjes, Walsteijn, Buisse heide, de Moeren, Lange Maten, Pannenhoef en Vloeiweide bleven intact en zijn nu natuurgebied.

In de periode 1850-1890 zijn de wallen langs de Turfvaart beplant met o.a. zomereik, beuk, haagbeuk, ruwe berk, robinia, zwarte els, tamme kastanje, appel, zoete kers en Amerikaanse vogelkers.

Fig 6 Laanbomen langs Turfvaart, Raamschoorseweg (foto Charles Schils)

Op Breda’s grondgebied

Waterlopen

Iets ten zuiden van Fort Oranje loopt een aftakking van de Turfvaart direct naar de Aa of Weerijs. Dit was de oorspronkelijke loop van de Turfvaart. Vanwege de slechte bevaarbaarheid van de Aa of Weerijs is de Turfvaart dertig jaar later (1646), rechtstreeks naar Princenhage doorgetrokken. De aftakking heeft nu een nieuwe functie. Het is aangesloten op de Bijloop. Een verdeelwerk zorgt bij hoge waterafvoeren dat een deel van het water direct naar de Aa of Weerijs wordt gevoerd.

In het natuurgebied de Vloeiweide lopen Bijloop en Turfvaart parallel en op korte afstand van elkaar. Hierna wijken ze uit elkaar. De Turfvaart stroomt in rechte lijn langs Vaartweg en Raamschoorseweg waarna ze onder de A16 duikt. De Bijloop volgt de laagste punten in het beekdal halverwege de buurtschappen Lies en Effen. Onderweg pikt ze nog water van twee zijstroompjes de IJzerloop en de Liesloop op. Ze duikt onder de A16. Aan de andere zijde  van de Princenhagelaan wordt ze opgenomen in het park begrensd door  de geluidswal.

Figuur 7 stroomgebied Bijloop en Turfvaart op grondgebied Breda

Beide waterlopen komen in Breda iets zuidelijk van de Mastbosstraat samen. Ze vervolgen dan nog ongeveer één kilometer hun weg, parallel aan de Graaf Engelbertlaan. Tussen de beek en de autoweg is een groenstrook ingericht met bosjes, poelen en graslanden .

Aan de andere zijde van de beek liggen de nieuwbouwblokken van het project Talmazone omringd door waterpartijen. Ter hoogte van de drie zwarte woontorens (‘kolenkitten’) monden de Bijloop/Turfvaart uit in de Aa of Weerijs.

Over het hele Bredase traject, vanaf natuurgebied de Vloeiweide tot aan de monding in de Aa of Weerijs zijn beide waterlopen opgenomen als ecologische verbindingszone in het Natuurnetwerk Brabant.

Bodem

Na de laatste ijstijd (13.000 jaar geleden) heerste er omstandigheden van een poolwoestijn waarin het landschap kaal, droog en koud was. Op grote schaal vond verstuiving en werd een laag afgezet van matig tot sterk lemig zand.  Het landschap kreeg toen zijn huidige vorm en bestond uit 4 elementen:

* dekzandruggen,

* dekzandvlakten of -flanken,

* vennen of natte laagtes en

* beekdalen.

Binnen dit landschap variëren de hoogtes van 4.50 tot 1.50 + N.A.P. Het dekzand heeft op de hoogste punten een dikte van ongeveer 1,5 tot 2 meter, in de beekdalen enkele decimeters en ligt op een leemlaag. Het dekzand varieert van lemig tot leemarm/zwak lemig.

Figuur 8 Fysisch Landschap (bron cultuurhistorische inventarisatie van Breda)

Op de kaart zijn nog twee andere elementen zichtbaar die in latere tijden ontstaan zijn:

* Moeren van de Ganzenweide en de Ramen. De Ganzenweide was een afvoerloze laagte waarin zich, na de ijstijd , geleidelijk veen ontwikkeld heeft. De Ramen is de meest noordelijke uitloper van het uitgestrekte veengebied richting Rijsbergen-Achtmaal-Schijf.

* Duinen op de kop van de Ramen. Dit waren stuifzandgebieden. Ze zijn vaak ontstaan door het kappen van bossen en overexploitatie van heidevelden). De naam is Duinen op de kop van de Ramen, Klein Zwitserland.

Deze duinen damden ooit het dal van de Bijloop af, dat daardoor vol veen kon groeien. Rond 1400 ging men er turf graven en toen is ook de duinrug doorgegraven. Het bruggetje over die doorgraving heet nu het Raamschoor. Door de doorgraving ontwaterde het veengebied en kon het veen afgegraven worden.

Figuur 9 bodemkaart De Rith Vuchtschoot (bron: kaartenbank Brabant)

Op de bodemkaart is te zien dat de Bijloop en IJzerloop de grens vormen tussen lemige en leemarme zandgronden. Bodemkundig worden de volgende bodemsoorten onderscheiden:

* Hoge zwarte enkeerdgronden. Dit zijn de oude landbouwgronden met een humeuze laag die dikker is dan 50 cm

    o Zwart-bruin (zEz 23) lemig fijn zand

    o Roodbruin (zEz 21)  leemarm en zwak lemig fijn zand

* Lage enkeerdgronden Dit zijn de oude landbouwgronden langs de beekdalen

    o Blauw-grijs  (eZg 23) lemig fijn zand

* Podzolgronden heide-ontginningen met dunnere humuslaag

    o Grijs-rose (cHn21)  laarpodzolgrond, oudere ontginning humuslaag 30-50 cm.  Leemarm en zwak lemig fijn     zand

    o Rose Hn 21  Veldpodzolgronden, jongere ontginnning humuslaag < 30 cm. Leemarm en zwak lemig fijn     zand

Cultuurhistorie en landschap

Na de laatste ijstijd raakt het landschap begroeid, en verandert in een toendra met dwergstruiken. Met het warmer worden van het klimaat wordt deze toendra geleidelijk verdrongen door bossen. Aanvankelijk, bij het begin van het Holoceen (10.000 jaar geleden) waren dit berken- en dennenbossen, geleidelijk veranderen die weer in gemengde loofbossen, met eik, berk linde en iep en in het beekdal broekbossen met els en wilg.  Op de dwarsdoorsnede zag het landschap er zo uit.

Figuur 8 Schematische weergave van vegetatietypen voor menselijke bewoning,  4000 jaar geleden (Bron: 4000 jaar bewoningsgeschiedenis.)

De geschreven geschiedenis gaat terug tot bronnen uit de periode 1200-1400. Bewoning is waarschijnlijk veel ouder. Uit omvangrijk archeologisch onderzoek in het gebied Steenakker (ook gelegen in Breda-west iets noordelijk van het stroomgebied) is gebleken dat permanente bewoning op dergelijke gronden teruggaat tot 4000 jaar geleden. Lemige dekzanden hebben een relatief betere bodemvruchtbaarheid dan leemarme zanden, ook houden ze het vocht beter vast. Ze waren bij uitstek geschikt als vestigingsplekken voor pre-historische boeren, die hun bestaan als jagers/verzamelaars opgaven. Aanwijzingen hiervoor komen o.a. uit stuifmeelonderzoek in diepere bodemlagen in het gebied Steenakker/Huifakker/Overemer. Het verschijnen van grasland- en akkeronkruiden zoals smalle weegbree, zuringsoorten en perzikkruid wijzen op menselijke activiteiten in de richting van weide- en akkerbouw. Dit onderzoek leidde tot de conclusie dat in de loop van de brons (3000-800 vC)- en ijzertijd (800 VC tot begin jaartelling) het percentage bos flink afneemt ten gunste van akker- en weidegrond. Akkergrond op de hogere dekzandruggen en weidegrond vooral op de flanken en in de beekdalen. Soorten van natte en droge heidevelden duiken pas op in laat-romeinse (250-450 nC) en vroege middeleeuwen.

Figuur 10  Schematische weergave van vegetatietypen Late ijzertijd-Romeinse tijd (Bron: 4000 jaar bewoningsgeschiedenis.)

Er ontwikkelde zich een vorm van landbouw met akkers voor het verbouwen van gewassen, weide- en hooilanden voor het grazen van vee en veevoer, heidevelden voor extensieve beweiding en het steken van plaggen voor bemesting van de akkers. Deze vorm van landbouw heeft in essentie tot rond 1870 voortbestaan. Pas de uitvinding van kunstmest zette het systeem op de kop.

Figuur 11 Topografische kaart 1900 (bron topotijdreis.nl)

Op de topografische kaart van 1900 is dit oude patroon nog grotendeels herkenbaar. Er loopt er een smalle reep van beemden (lichtgroen) aan weerszijden van de Bijloop. Deze waren als hooi- en weiland in gebruik. Direct hogerop een fijnmazig coulisselandschap van akkers (wit). Elke akker is omgeven door een houtwal of houtsingel. Het leverde de boeren geriefhout en brandhout. Vrijwel het hele gebied is landbouwkundig al eeuwenlang (1200-1500) in gebruik. Ontginningsassen waarlangs de boerderijen lagen, zijn Rithsestraat aan de zuidkant van de Bijloop, Sprundelsebaan aan de noordkant. In de zuidwestelijke hoek ligt nog  een uitgestrekt heidegebied. Dit is begin 1900 deels ontgonnen en deels bebost. Het beboste deel is nu het natuurgebied de Vloeiweide.

Figuur 12 Topografische kaart 2015 bron topotijdreis.nl

Landgoederen op grondgebied Breda

Veel grond (500ha., 30 pachtboerderijen) was vanaf eind 19de eeuw in bezit van één Brusselse eigenaar, graaf de Marnix van Sint Aldegonde. In 1986 is de laatste boerderij verkocht. Veel houtwallen zijn verdwenen. Bijzonder is dat een netwerk van zandpaden intact is gebleven. Vanwege het ecologische en cultureel belang heeft de gemeente Breda in 1988 elf lanen en dreven en enkele bosjes gekocht van de eigenaar. Door achterstallig onderhoud, illegale kap en puinstort was de kwaliteit aangetast. Inmiddels is het puin verwijderd, het zand is aangevuld en bomen en struiken zijn aangeplant. Aan de overzijde van het beekdal is er wat minder fijnzinnig met het landschap omgegaan en hebben zich langs de Sprundelsebaan een tiental tuinbouwkassen (oranje vlakken) gevestigd.

Huize Hazard

Oudst bekende beschrijving stamt uit 1749, toen 13 bunder landerijen met ‘huysinge en schuere’  werd verkocht aam A. Waalwijk. Deze bouwde direct na aankoop een nieuw huis of liet aan de boerderij een landhuis vast bouwen. Een jaar later werd het omschreven als een herenhuis met 40 bunder (ha), hof, erf, dreven, visvijvers en plantagiën.  Het landgoed is later in drieën gesplist. Nu bestaat het uit een landhuis met lange oprijlaan, Rithsestraat 146. Het is deels opengesteld.

Zoudtland

Centraal in het landgoed ligt een herenboerderij uit 1733, met aanbouw van een Vlaamse schuur.  Toen de eigenaar J.L. Trip in 1815 in de adelstand verheven werd, koppelde hij de naam van zijn landgoed aan zijn naam vast, Jhr. Trip van Zoutlandt. In de directe omgeving van het landhuis zijn verschillende tuinen en terrassen gesitueerd. In de jaren vóór de 2e wereldoorlog is een grote zwemvijver aangelegd. De tuinen gaan over in een park en bosgebied afgewisseld met weilanden en populierenakkers. Een deel van het landgoed is bij een herinrichting in 1987 als arboretum aangelegd. Het landgoed is opengesteld.

Figuur 13 Oprit Huize hazard (l), Lindenborg (r)

Lindenborg

In 1832 beschreven als boerderij met daaraan vast gebouwd een herenhuis. Huidige huis (empire stijl) stamt uit 1858. Omringende landerijen werden verpacht. Nu in gebruik als kantoor. Een deel van tuin ging bij de aanleg van de HSL verloren.

De Aard

Voormalig heidegebied oostelijk van de Rithsestraat, grenzend aan de Turfvaart. Het is al na afloop van de tachtigjarige oorlog rond 1650, ontgonnen door ondernemers. De ontwikkeling houdt waarschijnlijk verband met het rechtstreeks  doortrekken van de Turfvaart naar Breda (1646). Omdat de grond voorheen als gemeenschappelijk weidegrond in gebruik was, leidde dit her en der tot schermutselingen.

Leenders rekent dit landgoed tot één van de ‘Verhoffstructuren’ rondom Breda. Landmeter Christoffel Verhoff verrichtte het landmeetwerk. Hij had een voorkeur voor blokvormige percelen met lanen op buiten- en binnengrenzen.

De percelen werden rechtstreeks verkocht. Omdat het geen landgoedorganisatie en geen landhuis kent is het als landgoed een randgeval. De inrichting is wel landgoed-achtig. Deze is nog grotendeels  intact tussen A16 en Raamschoorseweg.

Klein Zwitserland

Dit is ook geen echt landgoed, maar een heideontginning ond 1900. Behalve landbouwgrond werden op de hoogste sterk geaccidenteerde delen dennen aangeplant en brede wegen aangelegd aan weerszijde van de Turfvaart. De heuveltjes zijn vermoedelijk suifduinen. De oude topografische aanduiding is Hilbergen. Het was in de periode tussen de beide wereldoorlogen een geliefd recreatieoord. Dit eindigde met het opheffen van de stoomtramverbinding Breda-Antwerpen. Sinds 1994 in bezit van de gemeente Breda. Het deel westelijk van de Turfvaaart is verhuurd aan een motortrial-club. 

Figuur 14  KNNV excursie naar Klein Zwitserland 1920-1930. A. Smeur,  Collectie stadsarchief Breda, item 1990320.

Flora en fauna

De beide waterlopen, Bijloop en Turfvaart zijn als ecologische verbindingszone aangemerkt.  Op twee plaatsen (Hazardweg, Bijloopwegje) langs de Bijloop zijn al terreintjes voor natuurontwikkeling  ingericht. Een sneller stromende nevengeul, poelen, moerassige oeverzones en rijen knotwilgen moeten gaan zorgen voor een meer divers habitat.

De beplanting vanaf de A16 tot aan Boomkensevaart langs de Turfvaart wordt gerekend tot Brabants ergfoed  en heeft de kwalificatie Historisch Groen, evenals veel lanen en dreven in het gebied van de Rtih. Vanwege deze zandpaden met houtopstanden en wat kleiner bospercelen zijn soorten van bermen, houtwallen en bosjes karakteristiek voor het gebied.

Figuur 15 Kaart natuurnetwerk de Rith/Vuchtschoot bron: Kaartenbank Brabant

Het gebied is waardenvol voor amfibieën, zeven soorten zijn aangetroffen, met. o.a. kam- en vinpootsalamander. Ook voor broedvogels van struwelen en bossen, waarnemingen van wespendief, zwarte en groene specht, steenuil en roodborsttapuit, bonte vliegenvanger, gekraagde roodstaart.

Plantensoorten in de Rith zijn soorten van droge schrale bermen, zandblauwtje, hondsvioolje schermhavikskruid en schaduwplanten als hulst, veelbloemige salomonszegel, koningsvaren, vals salie.

Vissen o.a riviergrondel, bermpje, snoek, baars

Libellen o.a weidebeekjuffer, viervlek

Zoogdieren haas, konijn ree. Geen vleermuiswaarnemingen bekend.

Bronnen

Aa, A,Z van der (1845) Geschiedkundige beschrijving van de stad Breda en haar omstreken. Uitg, Noorduyn en Zn, Gorinchem.

Dongen, W. van e.a. (2004) De Rith, een bezoekje waard. Uitgave Brabantse Milieufederatie.

R.Brandenburgh en L.I.Kooistra (2004) Landschap en vegetatieontwikkeling. Hoofdstuk 3 in Bredase akkers eeuwenoud : 4000 jaar bewoningsgeschiedenis op de rand van zand en klei door C.W. Koot  en R. Berkvens .  ROB, Amersfoort.

Caspers, Thijs (2012) Landgoederen in Noord-Brabant. Uitgave Brabants Landschap & Brabants Particulier grondbezit. Pictures publishers

Hoeven, E. van der e.a. Breda Buiten 2007 Breda Buiten. Sectie D Zandbergse Boekstichting

Leenders, K.A.H.W. (2001) Cultuurhistorische landschapsinventarisatie gemeente Breda. Rapport in opdracht van de afdeling Archeologie, gemeente Breda.

Leenders K.A.H.W. (2012) Landgoederen langs de Bredase Turfvaart. Jaarboek de Oranjeboom 65.

Leenders K.A.H.W  (2013) Verdwenen Venen. Pictures Publishers, Woudrichem.

Jorna F.J. (2007) Integrale gebiedsanalyse Turfvaart-Bijloop. Royal Haskoning Nederland B.V. in opdracht van Waterschap Brabantse Delta.

*Ton Kappelhof (1998) De Bredase bierbrouwerijen 1397-1750. De geschiedenis van een exportnijverheid; Jaarboek De Oranjeboom 51 (1998).

Tekst Charles Schils, bijgewerkt 19 april 2018